In elektrische installaties is spanningsval een belangrijk aspect om rekening mee te houden. Het is het verschil in spanning tussen de toevoerbron en het verbruikspunt. Te veel spanningsval kan leiden tot diverse problemen, zoals:
- Verlies van vermogen: Apparaten en machines kunnen minder efficiënt werken of zelfs defect raken.
- Verlichtingsproblemen: Lampen kunnen dimmen of flikkeren.
- Startproblemen: Motoren kunnen moeite hebben met opstarten.
Om deze problemen te voorkomen, is het belangrijk om rekening te houden met de wetgeving en normen rond spanningsval. In dit artikel bespreken we de relevante aspecten uit de AREI, IEC 60204-1 en NF C 15-100.
AREI.
In het AREI staat er niet zo heel veel vermeld.
In onderafdeling 5.2.1.2. Keuze van elektrische leidingen spreekt men over elektrische leidingen die geen integrerend deel uitmaken van een elektrische machine of toestel, en in het
Bijzonder hun doorsneden, worden derwijze gekozen dat de spanningsval onder de normale bedrijfsvoorwaarden verenigbaar is met de bedrijfszekere werking van de gevoede elektrische machines en toestellen.
In Afdeling 5.2.5. Spreekt men over het beperken van de spanningsval in elektrische leidingen tot waarden beschreven in de regels van goed vakmanschap.
IEC 60204-1.
In de IEC60204-1 spreekt men over Spanningdaling, spanningsdips. Hiermee bedoelt men het wegvallen van de spanning en niet zo zeer de verliezen die zich opbouwen in de kabels.
Als een onderbreking van de voeding of een spanningsdaling kan leiden tot een gevaarlijke situatie, of tot schade aan de machine of aan het werkstuk, moet er een onderspanningsbeveiliging voorzien zijn die bijvoorbeeld de machine uitschakelt bij een vooraf bepaald spanningsniveau.
De werking van het toestel voor onderspanningsbeveiliging mag de werking van geen enkele stopfunctie van de machine nadelig beïnvloeden.
Indien het herstarten van de machine na herstel van de spanning of inschakeling van de inkomende voeding kan leiden tot een gevaarlijke situatie, moet worden voorkomen dat de machine automatisch of onverwacht herstart.
NF C 15-100.
In de norm NF C 15-100 ligt de verplichting zo dat de spanningsval tussen de spanningsbron van de LS-installatie en verbruikers de waarden van de onderstaande tabel niet mag overschrijden.

Toch kan een waarde van 8% kan echter te hoog blijken:
– De goede werking van de motoren wordt in het algemeen gegarandeerd voor hun nominale spanning ±5% (bij permanent regime)
– De startstroom van een motor kan 5 tot 7 In bereiken of zelfs groter worden. Wanneer de spanningsval 8% bedraagt bij een
permanent regime, zal hij waarschijnlijk bij een start een hogere waarde hebben (15 tot 30% in sommige gevallen). Mogelijks start de motor niet en kan het problemen opleveren bij andere verbruikers.
– Spanningsval over een kabel wordt omgezet in warmte en is dus niet een energie-efficiënt.
Conclusie
Spanningsval is een onderschat aspect in elektrische installaties, met potentiële gevaren en inefficiëntie tot gevolg. Hoewel er in het AREI geen concrete waardes voorschrijft, laat de NF-C 15-100 in specifieke omstandigheden een maximale spanningsval van 8% toe, in de praktijk streven we naar een lagere waarde.
In de IEC 60204-1 heeft men het meer over de veiligheid en niet zozeer over de verliezen die zich opbouwen in de kabels. Samengevat: een machine die zijn spanning verliest mag wanneer de spanning terugkomt niet automatisch opstarten indien dit gevaar met zich meebrengt.
Door de juiste maatregelen te nemen, kunt u spanningsval beperken. In de praktijk komt het erop neer om kabelberekeningen te maken. Wattsmatic kan u hierbij de nodige ondersteuning bieden.
